Selecteer een pagina

Zien en gezien worden

De flaneur als drager van (hernieuwde) stedelijkheid

Algemeen, Beleid, Burgerschap, Communicatie, Community

De Parijse boulevard als ‘perfecte straat’. Fotografie: Petr Kovalenkov/Shutterstock

De leegstand in de Nederlandse winkelstraten brengt grote vragen met zich mee. Neemt de behoefte aan winkelruimte af vanwege de opkomst van het webwinkelen? Of ontbreekt het aan beleving, vernieuwende concepten of onderscheidend vermogen? Is de trend onomkeerbaar of is er sprake van een tijdelijke situatie, bijvoorbeeld omdat het huidige aanbod niet aansluit bij de wensen van het publiek? Kortom: wat kunnen en moeten we doen om de binnensteden nieuw leven in te blazen? Een blik op de historische ontwikkeling van stedelijke vrijetijdinfrastructuur in Europe toont aanknopingspunten om het leegstandsvraagstuk tegemoet te treden. Deze zoektocht start in de zestiende eeuw, waar aan de randen van de Europese steden de eerste vrijetijdinfrastructuur ontstaat. Leden van de hogere klasse besteedden hun (vrije) tijd door langs de stadsmuren te flaneren over promenades en boulevards. Deze plekken hadden een belangrijke sociale functie: men kwam om te zien en gezien te worden. Hier hoorde je de laatste nieuwtjes, werd politiek bedreven, partners gezocht voor huwbare dochters, en werd door middel van een koude of juist warme begroeting gecommuniceerd of je ‘er nog wel bij hoorde’. Met het uitdijen van de hogere middenklasse en de toenemende welvaart, ontstonden de eerste voorzieningen dan ook langs deze stadsmuren: koffiehuizen, pleziertuinen, theaters, operahuizen, malie- en tennisbanen.

‘Ons soort winkelpubliek’

In de loop van de achttiende en negentiende eeuw, mede gedragen door de eerste industrialiseringsgolf, nam de druk op de binnensteden toe. Stadsmuren maakten plaats voor ringbanen, nieuwe woonwijken en industrie. De vrijetijdsinfrastructuur die juist in dit buitengebied was ontstaan, werd zo onderdeel van het stedelijke weefsel. Om de vrije tijd toch op een schone en veilige plek te kunnen besteden, trok de hogere (midden)klasse naar de afgeschermde galeries en passages. De Passage in Den Haag of de Koninklijke Sint- Hubertusgalerijen in Brussel zijn voorbeelden van deze binnenstedelijke consumptieparadijzen. Hier konden (voornamelijk) vrouwen zich ongestoord en in relatieve vrijheid bewegen, als ware het een publieke ruimte. ‘Publiek’ moet hier echter met een flinke korrel zout genomen worden: toegang tot deze voorzieningen was beperkt tot diegenen die konden en wilden consumeren. Al in de vroegmoderne stad werden de ingangen bewaakt om te voorkomen dat ongewenste figuren deze consumptiebeleving kwamen verstoren. Nu zien we hetzelfde in de grote malls in bijvoorbeeld Dubai en de Verenigde Staten. Consumeren staat voorop, en entertainment is toegevoegd ten gunste van het verlengen en verdiepen van de winkelbeleving (Hannigan 1998). Met de nadruk op het winkelen, trekken deze plekken een zeer homogeen en welgesteld publiek. De diversiteit aan functies en mensen die de binnenstad kenmerkt, is in deze winkelvoorzieningen dan ook ver te zoeken. Toch ontstond er in de tweede helft van de negentiende eeuw ook een ander type vrijetijdsomgeving: de stadsstraat. Onder invloed van stadsplanner Georges-Eugène Haussmann werd een deel van de middeleeuwse Parijse binnenstad gesloopt om plaats te maken voor nieuwe boulevards. Dit waren weids opgezette stadsstraten waar de

kwaliteiten van de oorspronkelijke groene boulevards van buiten de stadmuren werden gecombineerd met de levendigheid en diversiteit van het binnenstedelijk leven. Bomen, brede trottoirs en terrassen maakten deze plekken aangenaam, waardoor mensen hun kleine woonkamers verruilden voor de publieke ruimte. Woningen, winkels en horecavoorzieningen lagen verweven in deze straten, waardoor deze het terrein werden van een grote diversiteit aan mensen. Deze nieuwe boulevards werden het podium voor de flaneur, aangetrokken door het ‘theater van de straat’, en tegelijkertijd mede vormgever van dit theater. Voor historicus Donald Olsen (1986) waren deze nieuwe boulevards van Haussmann dan ook ‘perfecte straten’.

Vandaag de dag zien we beide omgevingen terug in het straatbeeld: enerzijds de monofunctionele winkelstraat die een homogene groep consumenten aantrekt. Anderzijds de multifunctionele stadsstraat waar een divers publiek samenkomt om te wonen, werken, flaneren en recreëren.

De monofunctionele winkelstraat

De monofunctionele straten zien we vooral terug in voormalig industriesteden zoals Rotterdam, Tilburg en Heerlen, of groeikernen zoals Almere en Zoetermeer. Deze steden zijn in belangrijke mate gevormd door de moderne stadsplanning volgens de principes van orde en efficiëntie. Deze ontstond in de loop van de twintigste eeuw als gevolg van de stijgende welvaart, veranderende levensstijlen en de opkomst van de auto. Deze ontwikkelingen bracht de behoefte én mogelijkheid om de drukke en chaotische binnensteden te verruilen voor woningen in groene tuinsteden, buitenwijken of op het platteland. Zodra men het zich kon veroorloven, vertrok men uit de stad. De binnenstad werd het domein van werken, winkelen en van woningen voor minder gefortuneerden die zich zo’n ruime eengezinswoning in het buitengebied (nog) niet konden veroorloven.

Rotterdam is een typisch voorbeeld van een stad die sterk beïnvloed is door de moderne stadsplanning; de wederopbouw van de binnenstad vond plaats tijdens de hoogtijdagen van het functionalisme. De Lijnbaan werd hét icoon van deze tijd. Dit winkelgebied was uniek opgezet, met gescheiden verkeersstromen voor bevoorrading en bezoekers. De functie van de Rotterdamse binnenstad was duidelijk: werken deed men in het havengebied en wonen deed men in de naoorlogse wijken aan de rand van de stad. De Lijnbaan was gereserveerd voor winkelen. Van over de hele wereld kwamen stadsplanners dan ook naar Rotterdam om deze innovatieve winkelomgeving te bewonderen. De Lijnbaan werd het toonbeeld van de moderne winkelstraat, maar wel één waar na vijf uur ’s middags doodse stilte heerste.

De multifunctionele stadsstraat

De multifunctionele stadsstraat zien we vooral terug in authentiek-historische steden zoals Amsterdam, Utrecht en Den Bosch. De vernieuwingsgolf van het moderne functionalisme heeft op deze steden een mindere sterke greep gehad, waardoor de stedelijke beleving behouden bleef. Toen in de loop van de jaren tachtig de stad weer werd herontdekt als aantrekkelijke woon- en vrijetijdomgeving, konden deze steden hier makkelijker bij aansluiten. Vooral studenten, jonge werkenden zonder kinderen, en spilfiguren uit de creatieve sector vonden in de diverse en levendige binnensteden een dynamiek die aansloot bij hun levensstijl. Auteurs als Michael Sorkin (1992) en John Hannigan (1998) spraken zelfs over het ontstaan van pretparksteden of fantasiesteden, waar entertainment en beleving een centrale plaats innemen in de ontwikkeling van de stedelijke ruimte. Deze historische steden met de multifunctionele stadsstraten hebben daarmee een voorsprong op de moderne steden met de homogene winkelgebieden. Die laatste groep worstelt om de concurrentie aan te gaan met elkaar, met de aantrekkelijke stadsstraten elders, of online. De winkelgebieden in de moderne stad lijken in dat opzicht meer op de gecontroleerde, voorspelbare en homogene galerijen en shopping malls, dan op de ‘perfecte straten’ van de Parijse boulevards.

Nienke van Boom:

De huidige leegstand biedt een unieke kans om sociale kwaliteit toe te voegen aan binnensteden en om interactie te faciliteren.

Wat kunnen we van de ontwikkeling van stedelijke vrijetijdsomgevingen leren? Allereerst dat steden continu aan veranderingen onderhevig zijn. Economische, technische, sociaal-demografische en sociaal-culturele ontwikkelingen vormen de stad, en vinden bovendien veelal hun oorsprong in de stad. Het is dan ook belangrijk om de huidige uitdagingen te zien in het licht van permanente verandering. Daarnaast leert dit ontwikkelingsperspectief ons dat steden een belangrijke sociale functie hebben: publieke ruimte biedt een platform om te flaneren, te ontmoeten en identiteiten vorm te geven. Hier ligt de sleutel tot het versterken van de Nederlandse binnensteden. De huidige leegstand biedt een unieke kans om sociale kwaliteit toe te voegen aan binnensteden en om interactie te faciliteren. De populariteit van markthallen, dwaalgebieden met een diversiteit aan kleinschalig ondernemerschap, hybride winkel/ horecaconcepten en creatieve bedrijvigheid bevestigt dit. Deze nieuwe concepten hebben gemeen dat ze ruimte bieden aan een breed palet van functies en belevingen, aantrekkelijk voor een grote variëteit aan bezoekers. Zaak is wel om aandacht te (blijven) geven aan het stimuleren van deze variëteit – om te voorkomen dat vernieuwende concepten eenzelfde homogene groep aan bezoekers aantrekken, wat ten koste gaat van de onderscheidende waarde. Laten we de leegstand inzetten om de kunst van het flaneren weer ruimte te bieden, en binnensteden weer te zien als plekken van ontmoeting; een plek van zien en gezien worden, waar de flaneur zich begeeft in het stedelijk theater.

De oorsprong van de ‘flaneur’ ligt verscholen in het woord flaneren: wandelen om te zien en gezien te worden. De Franse dichter Charles Baudelaire (1863) beschrijft de flaneur als volgt: “The crowd is his element, as the air is that of birds and water of fishes. His passion and his profession are to become one flesh with the crowd. For the perfect flaneur, for the passionate spectator, it is an immense joy to set up house in the heart of the multitude, amid the ebb and flow of movement, in the midst of the fugitive and the infinite.” De flaneur wordt gezien als consument én producent van de stedelijke beleving: hij is observant en participant, acteur en publiek – hij co-creëert stedelijkheid. Daarmee wordt de flaneur veelal gezien als symbool voor het belang van menselijk verkeer voor de kwaliteit van de stedelijke beleving.

468

Reactie verzenden

Share This